Psalterium

 

   
Home
Marot en z'n Psalmen
Beza en z'n Psalmen
Pierre Pidoux
geschiedenis
Vergeten Psalters
Contrafacten
Psalmen Sweelinck
Muziek...
Ereschuld ?
Hypo-mixolydisch?
Psalm numbers
Boetepsalmen
Souterliedekens
Calvijn en de ps..
Lucas D'heere
Petrus Datheen
psalm - analyses
Partituren
Tant que vivray

Ondank is ’s werelds loon  of ere wie ere toekomt

Jean Calvin (hervormer) en Clément Marot (psalmdichter).

waarin wordt gesuggereerd dat de hervormde kerk (issu de Calvin) vergeten is dat zij de vruchten heeft geplukt van de cultuur van de Renaissance, zonder deze zelf naar waarde te schatten; wat aangetoond wordt door in te zoomen op de psalmberijming van Marot, die de hemel werd ingeprezen terwijl de dichter zelf werd verworpen.
[als artikel verschenen in "In de Waagschaal" (nwe jg 38/15, 31 oktober 2009)]

 

Als Calvijn in Straatsburg in 1539 zijn eerste psalmboekje in het Frans publiceert is dat een gedenkwaardig moment in de nog jonge geschiedenis van de Frans-Zwitserse reformatie.[1] Het initinitiatief op zich was niet origineel; het idee om met het volk samen te zingen in de liturgie was reeds volkomen ingeburgerd in de duitstalige reformatie, waar vanaf 1523 het ene na het andere kerkelijke liedboek van de persen rolde, vaak per stad verschillend. Ook het idee om alleen Psalmen te zingen is niet per se Calvijns: Martin Bucer in Straatsburg had diezelfde gedachte reeds in 1524 geopperd. Toen Calvijn in 1538 in Straatsburg aankwam waren er al complete psalmberijmingen in het Duits beschikbaar.[2] Was dit dan de eerste psalmberijming in het Frans? Neen, zelfs dat niet. Reeds in 1533 was er een bundeltje verschenen met Noels, die na een inleidend couplet berijmde Psalmen bevatten.[3] Calvijns publicatie uit 1539 is trouwens ook geen exclusief psalmboek (dat wordt het later pas) maar een liturgisch liedboek, want naast 19 psalmen vinden we de lofzang van Simeon, een berijmde versie van de 10 geboden (op de wijs van Luthers “Dies sind die heil’gen zehn Gebot’) en een onberijmde versie van de Apostolische geloofsbelijdenis, alle liederen met een bepaalde liturgische functie in de locale orde van dienst. Er is zelfs goede reden voor om te veronderstellen dat Calvijn, toen hij in Straatsburg aankwam in 1538, daar een zingende gemeente aantrof. Wat maakt dan Calvijns psalmboek zo ‘epochaal’ dat ik de publicatie ervan toch voor een gedenkwaardig moment in de geschiedenis van de reformatie houdt? Welnu, gedenkwaardig aan deze publicatie is de originaliteit en kwaliteit van een deel van de in dit boek aanwezige teksten en melodieën. Hoewel over de voorgeschiedenis zo goed als niets bekend is, weten we van 15 van de 19 psalmteksten met zekerheid de naam van de auteur: 13x Clément Marot en 2x Jean Calvin.[4] De oorsprong van de melodieën is eigenlijk nog mysterieuzer. Het enige dat men met zekerheid kan stellen is dat de melodieën bij de zes teksten die niet van Marot zijn een adaptatie genoemd kunnen worden van reeds bestaande melodieën uit het duitstalige Straatsburgse repertoire.[5] De melodieën die de teksten van Marot hebben meegekregen lijken echter originele scheppingen te zijn, waarbij hoogstens een regel of een motief is ontleend aan (of geïnspireerd door) een bestaande Straatsburgse hymne.

Uit dit kleine en dunne Franse liedboekje, tamelijk onhandig gedrukt met Duitse gothische letters, is dan in de loop der jaren het roemrijke Hugenotenpsalter gegroeid. Het verhaal daarvan hoef ik hier niet uiteen te zetten, het is genoegzaam bekend. Ik wil er enkel op wijzen dat het heel opvallend is dat van dit oorspronkelijke liedboekje, alleen de teksten van Clément Marot (1496-1544) het hebben gehaald tot aan de definitieve versie van het Psalter in 1562. Alle andere teksten zijn in de vergetelheid geraakt; ze zijn ofwel vervangen door een latere berijming van Marot (de zes andere Psalmen, de lofzang van Simeon en de 10 Geboden), ofwel gesupprimeerd (het Credo). Dit is geen toeval, maar berust op de intrinsieke kwaliteit van Marot’s berijming, waarvan Calvijn de waarde al spoedig moet hebben ingezien, gezien de ijver waarmee hij bijde raad van Genève ervoor pleit om diens berijmingen te verzamelen en van melodieën te voorzien. Marot’s psalmberijmingen zijn dan ook geen – meer of minder moeizaam gefabriceerde – bijbelteksten op rijm, maar volwaardige gedichten: poëtische transposities van de Bijbelse tekst in elegant maar sober Frans. Het aantal berijmingen van Marot is in het eerste Geneefse liedboek van 1542 aangegroeid tot 30 en in de sterk vermeerderde tweede druk van 1543 zelfs tot 50 (incl. lofzang van Simeon). Calvijn schrijft zijn beroemde voorwoord over de plaats van de zang in de liturgie en zijn verdediging van zijn voorkeursoptie voor Psalmteksten voor deze edities.

Als Marot Genève verlaat en korte tijd later sterft in Turijn (najaar 1544) ligt het Psalmproject in Genève lange tijd stil. Pas in 1549 komt er weer schot in de zaak als Beza, waarschijnlijk op uitdrukkelijk verzoek van Calvijn, zijn eerste lichting publiceert.[6] Wat echter vaak wordt vergeten, of zelfs niet is geweten, is dat in de tussentijd een hele reeks dichters in Frankrijk zich aangespoord heeft geweten om Marot’s werk af te maken. Zo zijn er al complete psalters (zonder muziek) in Poitiers in 1550, op de voet gevolgd door Parijs (1551). Het eerste complete psalter met melodieën verschijnt in 1555 in Lyon.[7] Zonder uitzondering zijn de 49 Psalmen van Marot de basis en eveneens bijna altijd met de melodieën die daar in de eerste Geneefse edities voor zijn gemaakt door resp. Guillaume Franc (1542-1543) en gedeeltelijke vervangen of gereviseerd Louis Bourgeois (1547-1551). Deze twee professionele musici waren cantor van de St. Pierre in Genève en directeur van de locale muziekacademie. Hun melodische creativiteit deed 49 originele melodieën geboren worden voor 49 Psalmen; Het moesten er zoveel zijn, omdat Marot de psalmen elk voor zich als unieke creaties beschouwde en ze allemaal probeerde van een eigen, passend, metrisch jasje te voorzien.[8] Deze melodieën waren een novum in de zestiende eeuw en zijn een unicum gebleven: een wonderlijk samenspel van oud-kerkelijke tonaliteit, strofische vorm en melodische lineariteit, en dat dan nog wel met fraaie Franse teksten. Het is geen wonder dat deze liederen in de 16de eeuw zo goed als alle Franse toondichters hebben geïnspireerd tot meerstemmige zettingen, die heel vaak de vorm hebben aangenomen van doorgecomponeerde geestelijke motetten in de toen gangbare polyfone stijl, waarin vooral de Vlamingen meesters waren, I Fiamminghi. Deze composities vinden hun sluitstuk en bekroning in de volledige zetting van Marots en Beza’s oeuvre door de Amsterdamse organist en componist: J. Pzn Sweelinck, die tussen 1604-1621 door hem werden gepubliceerd in vier bundels. Deze waren niet bedoeld om in de kerk gezongen te worden (daar werd in het Nederlands eenstemmig en onbegeleid gezongen), maar thuis (in het Frans) tijdens bijeenkomsten van de collegia musica die in die tijd geweldig floreerden. Deze korte evocatie moge voldoende zijn om duidelijk te maken dat in de schoot van de zich hervormende kerk in het Franse taalgebied (niet enkel in Genève) een cultuurmonument is ontstaan dat zijn weerga niet kent in de zestiende eeuw: het Hugenoten Psalter. De intrinsieke kwaliteit van tekst en melodie, de achterliggende fascinatie voor Davids psalmen (de dichter die naar een vergelijking van Marot de heilige Geest als muze had), trok alle kunstminnende geesten aan, ongeacht confessie.

Heeft nu, en zo kom ik bij mijn onderwerp, de hervormde kerk issu de Genève, ooit ‘dankjewel’ gezegd tegen de dichter en de musici? Nee, eigenlijk niet. Calvijn rept met geen woord over Marot, hoewel ze een jaar hebben samengewerkt. Hij verhevigt na diens vertrek uit Genève enkel de aanval op de culturele elite van Frankrijk, die hij Nicodemieten noemt en verwijt dat ze niet durven kiezen. Halfslachtigen, halfhartigen noemt hij hen, terwijl hij heel zijn kennis en kunde van hen heeft geleerd, toen hij in Bourges, Orléans en Parijs studeerde . Theodore de Bèze (Beza) prijst in een lange rijmbrief (voorwoord van de officiële Psalmeditie van 1551) Marot als een tweede David… Hij was zelf een dichter en had in het voetspoor van Marot ervaren hoe mooi en moeilijk het werk van een Psalmdichter is. Hij weet wat Marot waard was èn kent zijn plaats. Anderzijds is hij een dichter die wel gekozen heeft in Calvijnse zin en dus zijn wereldse culturele verleden dus heeft afgezworen als “schade en drek…”. En het verwondert ons dus niet dat wij hem in zijn geïllustreerde biografie van belangrijke zestiende-eeuwers Marot eerst horen prijzen om zijn psalmvertaalwerk om hem vervolgens des te strenger te kapittelen, omdat hij zich nooit heeft willen bekeren tot de inmiddels Geneefse levensstijl. Daarvoor was hij tezeer gehecht aan het bloeiende culturele hofleven. Deze veroordeling is stereotiep voor de latere geschiedschrijving binnen het protestantisme: Appreciatie vanwege de psalmberijmingen, depreciatie van de persoon.

Dat precies het leven van Marot als dichter aan het Franse hof (met de bijbehorende cultuur) de voedingsbodem is geweest waar die psalmgedichten konden ontstaan wordt dan over het hoofd gezien. En dan bedoel ik niet alleen de schone vorm van die gedichten, maar ook de inhoud. Aan het Franse hof bloeiden de wetenschappen en kunsten, Renaissance en reformatie werd er nagestreefd. De koning stelde in 1530, los van de theologische faculteit, lectoren aan in de oude talen (maar liefst drie ervan onderwezen Hebreeuws) en de zuster van de koning, Marguerite van Navarra ondersteunde reeds begin jaren 1520 een ver-gaand hervormingsproject ten noorden van Parijs. Beiden heeft Marot als hofdichter gediend. Met beider streven zijn zijn Psalmgedichten zowel qua vorm als inhoud onlosmakelijk verbonden. Wordt het niet eens tijd, dat de kerk dankjewel zegt tegen de cultuur waarvan ze zoiets moois ontvangen heeft: Immers ondank is’s werelds loon, in de kerk geef je toch – onder God – ere wie ere toekomt.

 

Antwerpen, Dick Wursten, 12 november 2009

 
 
[1] Aulcuns pseaulmes & cantiques mys en chant, fac-simile uitgave door “Boekmakerij Gert-Jan Buitink” (Brasschaat, 2003) met een inleiding door Jan Luth.
[2] In 1537 verscheen er een liedboek met volledig Psalter (Psalmen und Geystliche Lieder, DKL 153705) en in 1538 verscheen er ook een separaat compleet Psalmboek (Psalter, DKL 153806). In 1524 had Bucer namens de overige Straatsburgse predikanten uitgelegd waarom in kerkelijke samenkomsten enkel gezangen of gebeden met woorden uit de H. Schrift, en wel met name de Psalmen, gebruikt worden (Grund und Ursach…). Het eerste Straatsburgse gezangboek daarentegen (Teutsch Kirchenampt) bevat naast psalmen ook enkele liturgische liederen en een verduitst ordinarium.
[3] Noels Nouveaulx (Neuchatel, Pierre de Vingle, ca. 1533).
[4] Calvijn meldt in een brief aan Farel dat hij Ps. 25 en 46 heeft berijmd als zijn eerste ‘oefeningen’ op dit terrein (prima sunt mea tirocinia) en dat hij later nog andere heeft toegevoegd. Om automatisch te veronderstellen dat de alle overige berijmingen dus ook wel van Calvijn’s hand zullen zijn, lijkt mij voorbarig, temeer daar de poëtische handigheid die uit die berijmingen spreekt (ik heb het bewust niet over kwaliteit, maar gewoon over ambachtelijk kunnen) nogal varieert. De liefhebber vergelijke Psalm 36 met Psalm 91 uit de Aulcuns pseaulmes.
[5] De voornaamsste cantores aldaar: Matthias Greiter en Wolfgang Dachstein. Een grondige analyse van deze 6 melodieën bij S.J. Lenselink, De Nederlandse Psalmberijmingen, p. 118-122. Algemeen: Pierre Pidoux, Le Psautier Huguenot. Men verwarre overigens verwijzingen naar “Vorlagen” uit Straatsburg niet met suggesties dat deze melodieën zijn overgenomen. In de facsimile’s in Pidoux kan men de graad van verwantschap desgewenst zelf vaststellen.
[6] In 1551 verschijnt dan de uitgebreide editie met 83 Psalmen, in 1553 komen er nog een paar bij, waarna het opnieuw lange tijd stil is op dit front. Beza zit in Lausanne en heeft het daar waarschijnlijk veel te druk met andere zaken. Pas in 1562 komt Beza plots met de rest op de proppen (61 berijmingen).
[7] Jean Poictevin (Poitiers, 1550). Gilles d’Aurigny, Robert Brincel (Parijs, 1551);  teksten van Poictevin (op twee na) met melodieën (Lyon, 1555). Zie hiervoor diverse studies van Lauretnt Guillo en Jean-Michel Noailly.
[8] Voor zijn 49 Psalmen heeft Marot 43 verschillende metrische vormen gebruikt, waarvan vele geheel nieuw. De afwisselende en soms zeer ingewikkelde rijmschema’s, de variatie in regellengte, prikkelde/noodzaakte de melodiemakers om een unieke melodie te verzinnen per Psalm. Beza zette deze lijn overigens eerst nog door, maar gaf dit principe later op. Pas dan kan het gebeuren dat een psalm berijmd wordt met gebruikmaking van het vormschema (en de melodie) van een andere. Zo herneemt psalm 68 het vormschema en de melodie van psalm 36.

 

 

 

   

 

This site was last updated woensdag, 03 augustus 2016