Psalterium

 

   
Home
Marot en z'n Psalmen
Beza en z'n Psalmen
Pierre Pidoux
geschiedenis
Vergeten Psalters
Contrafacten
Psalmen Sweelinck
Muziek...
Ereschuld ?
Hypo-mixolydisch?
Psalm numbers
Boetepsalmen
Souterliedekens
Calvijn en de ps..
Lucas D'heere
Petrus Datheen
psalm - analyses
Partituren
Tant que vivray

Hypo-mixolydisch, aeolisch, phrygisch...? - kerktoonsoorten

Wat het zingen van 16e eeuwse psalmmelodieën zo bijzonder maakt is dat je als kind - zomaar in de alledaagse zondagse kerkgang - met dingen in aanraking komt die je niet kunt plaatsen. En wat is er voor een kind spannender dan dat... je vermoedt van alles, maar je snapt - nog - niets. Je zingt oude woorden (psalmberijming 1773) op statige melodieën, en samen is dat iets unieks: gevoelens, gedachten worden opgeroepen die anders zijn dan de gewone muziek die je kent. En boven die melodieën stonden - tenminste in het psalmboekje dat ik als kostbaar persoonlijk kleinood ontving toen ik 12 jaar werd - mysterieuze grieksklinkende termen: phrygisch, mixolydisch, ionisch, dorisch... en dan soms ook nog met 'hypo' ervoor. En dan die mysterieuze 'Maître Pierre' die er als componist boven stond. In een tijd dat er nog geen internet was en je dus niet even op wikipedia kon opzoeken wat/wie dat dan wel was, bleven die termen mysterieus en prikkelden de verbeelding. Onderwijl ga je naar het gymnasium en begin je verbanden te leggen tussen het Grieks dat je leert op school (totaliter aliter dan wat er in de dorpskerk op zondag gebeurde) en de woorden boven die melodieën. Dingen die onverbonden schijnen, worden verbonden. Die melodieën hadden - zo scheen het althans - iets te maken met de Griekse oudheid. De termen deden oneindige verten vermoeden, en de halfbegrepen woorden, gevat in metrum en rijm, openden wel degelijk de wereld van de poëzie. Maar ja, wat betekenen die termen dan eigenlijk? Ach, ze zijn gebaseerd op een vergissing, maar zoals wel vaker een vruchtbare vergissing, een 'schitterend ongeluk': men dacht dat de oude kerktoonsoorten (van het Gregoriaans) teruggingen op de oude Griekse modi, waarover Plato bijv. al sprak. Heel sterke gemoedsbewegers volgens hem (en de andere Grieken), zodat het niet om het even is in welke modus je wat zingt. Wij kennen enkel nog mineur en majeur, maar onze voorouders hadden een fijner onderscheidingsvermogen. Zij onderscheidden 8 toonsoorten (in de roomse traditie zijn die gewoon genummerd van I-VIII). De oude toonreeksten bestonden slechts uit 6 tonen (hexachord), waarvan we de namen nog kennen: ut(do)-re-mi-fa-sol-la. Afhankelijk van waar je begint in deze reeks ontstaan er verschillende toonladders, omdat de toonsafstanden niet hetzelfde zijn (tussen mi en fa zit maar een halve noot bijv.). Men heeft ze de 6 namen gegeven van de Griekse toonsoorten (waarvan niemand meer weet hoe die klonken, en die ondanks ijverige pogingen eigenlijk niet echt reconstrueerbaar zijn): Dorisch, Phrygisch, Lydisch, Mixolydisch, Aeolisch, Ionisch. Als je onder de grondtoon begint dan verandert de zaak natuurlijk nog een keer en komt er voor de naam van de toonsoort nog het Griekse woord voor 'onder' bij: 'hypo'...

Afin: de aloude H. Hasper heeft in 1936 de Psalmen opnieuw gepubliceerd in de oorspronkelijke kerktoonsoorten (helaas: ontsierd door enkele vreemde misvattingen) en met zijn eigen berijming (helaas: poëtisch ondermaats). Hij hoopte - en zijn grondidee kan niet genoeg geprezen worden - hiermee een oecumenisch Psalmboek aan het Nederlandse volk te geven. In een speciale bijlage legt hij uit hoe men die kerktoonsoorten moet verstaan en zingen. De bijlage was enkel bedoeld voor de protestanten..., want de katholieken konden het volgens Hasper vanzelf want die hoorden elke zondag de kerktoonsoorten nog in de Gregoriaanse mis en andere gezangen. Een overzicht van de melodieën en de toonreeksen drukt hij af op p. 17 van dit addendum van zijn uitgave van het Boek der Psalmen.