geschiedenis

 

 

Up | geschiedenis II | Marot in Geneve

Home
Turkse Psalmen
Marot en z'n Psalmen
Beza en z'n Psalmen
Pierre Pidoux
geschiedenis
Vergeten Psalters
Contrafacten
Geneefse Psalter (ontstaan)
Muziek...
Ereschuld ?
Hypo-mixolydisch?
Psalm numbers
Boetepsalmen
Souterliedekens
Calvijn - Psalmen
Lucas D'heere
Petrus Datheen
psalm - analyses
Partituren
Tant que vivray

Wat voorafging aan de psalmberijmingen

(De psalmberijmingen komen niet zomaar uit de lucht vallen. Hier enige dingen die van belang zijn als voorgeschiedenis). Als u meteen met het Psalter van Calvijn wilt beginnen, klik hier

 

Goed om te weten: het concilie van Toulouse (1229, dus in volle strijd tegen de katharen!) verbiedt het bezit van boeken van de Bijbel aan ‘leken’, met uitzondering van het boek der Psalmen omwille van devotionele redenen. Vertalingen - ook van deze boeken - worden echter in de volgende zin ten strengste verboden (NB: Deze 'canon' wordt vaak geciteerd om het tegenovergestelde te bewijzen!). Maar ja: het feit dat men wetten uitvaardigt tegen iets betekent dat het in de praktijk andersom geschiedt: vertalingen in de volkstaal floreren...

      Prohibemus etiam, ne libros Veteris Testamenti aut Novi laici permittantur habere; nisi forte psalterium vel breviarium pro divinis officiis, aut horas Beatae Mariae, aliquis ex devotione habere velit. Sed ne praemissos libros habeant in vulgari translatos arctissime inhibemus.
      "Wij verbieden dat leken boeken van het Oude of Nieuwe Testament in hun bezit hebben, met uitzondering van het Psalter of een brevier voor het Officie, of een getijdenboek van de Heilige Maagd. Echter: het is ten strengste verboden een vertaling van deze boeken te bezitten."

      bron: De inquirendis haereticis, deque aliis Ecclesiasticae disciplinae capitibus celebratum. Concilie van Toulouse, canon XIV.

De psalmen waren in de kloosters en kapittelkerken de teksten van het dagelijks gebed. Het getijdengebed liet ze alle 150 in één week de revue passeren. Klooster- en kapitelkerken waren dus als het ware doordrenkt van het Psalmgebed (in het Latijn). Ook onder het gewone volk werden ze gebeden, m.n. de boetepsalmen in de vastentijden van het kerkelijk jaar, of bij andere boetgelegenheden (bijv. de talrijke processies). Ookal waren vertalingen dus officieel verboden (volgens canoniek recht) ze werden meestal gedoogd en aan het eind van de Middeleeuwen zelfs gepropageerd. Zo kennen we in het Nederlands bijv "Die Duytsche Souter" (1480, Delft). Op rijm (om ze beter te kunnen memoriseren?) verschijnen rond 1500 in Frankrijk kleine boekjes met de boetepsalmen, bijv. ‘Une traduction rimée de sept Pseaumes de la penitence’. ed. 1524 - Jehan Daniel

Ook de gewoonte om rond Kerstmis ‘Noels’ (strofische liederen in de volkstaal) te zingen kan met de psalmtraditie verbonden worden. Deze liedvorm kreeg eind 15de begin 16de eeuw een enorme ‘boost’, zodat ook gerenommeerde dichters zich ermee begonnen bezig te houden. Het was m.a.w. een ‘cult’ geworden. Als dichters kunnen (naast vele anonymi) Marot zèlf genoemd worden (bijv. Une pastourelle gentille) genoemd worden, maar ook zijn tijdgenoten Jean Daniel en François Briand die beiden een geestelijke loopbaan aflegden. Voor de psalmen is van belang dat sommige dichters een "psalmberijming" als Noel inkleedden. Dat wil zeggen: een psalmberijming (meestal behoorlijk vrij, en verchristelijkt) wordt besloten met een oproep om de Verlosser te ontvangen, die is geboren: Noel. Zo bijv. Thomas (of Mathieu) Malingre in 1533, in Neufchatel actief in de drukkerij van Pierre de Vingle, drukker van hervormingsgezinde pamfletten en boekjes. Dezelfde die in 1535 de eerste Franse bijbel, vertaald vanuit de oorspronkelijke teksten - dus niet de Latijnse bijbel - drukte op kosten van de Waldenzen, de Bible d'Olivétan.

In humanistische kringen (wat toen humanistisch-christelijk was) moet vooral de tekstgeleerde Jacques Lefèvre d’Etaples (en in zijn kielzog de latere Professor Hebreeuws (leerstoel buiten de universiteit, bezoldigd door de koning zelf: 'Collège Royal') : François Vatable, genoemd worden. [meer info: lees dit opstel over hem]. De afbeelding toont Vatable zoals hij in Parijs te bewonderen is als je langs de Sorbonne (universiteit) wandelt.

vatable - paris

Hij was namelijk in de periode daarvoor verbonden met de hervormingsgezinde groep van Meaux (diocees ten Noorden van Parijs, waar bisschop Guillaume Briçonnet allerlei hervormingen doorvoerde m.n. door de Schriftuitleg en verkondiging te her-waarderen). In dit kader nam hij in 1522 Jacques Lefevre d’Etaples (de Franse Erasmus) in dienst. Deze was m.n. bekend vanwege nieuwe vertalingen van het werk van Aristoteles, een tekstkritische uitgave van de Psalmen (in 5 kolommen: PsalteriumQuincuplex)  en theologische bijbelcommentaren (bijv. op de brief aan de Romeinen 1512 (!)). Aan zijn Franse bijbelvertaling - 1530 - werkten zijn leerlingen mee, o.a. Gérard Roussel (Graecist, hofprediker) en François Vatable (Grieks en Hebreeuwskundig: taal- en bijbelgeleerde), en Guillaume Farel (fameus predikant). Zij fungeerden hetzij als predikanten, hetzij als assistenten in de vertaling/commentariëring van de Bijbel, hetzij een combinatie van beiden.

Niet te onderschatten is tenslotte de rol van twee hooggeplaatste vrouwen, resp. zus en nicht van de Franse koning, François I-er (1494-1547), die nauw betrokken waren bij deze intellectuele èn spirituele herbronningsbeweging.

      Marguérite d’Angoulême (1492-1549; gehuwd met Henry, koning van Navarre), zelf een verdienstelijk dichteres. Publiceerde een vanuit roomskatholieke hoek (Theologische Facultiet van de Sorbonne) zwaar gecontesteerde Le Miroir de l'âme pêcheresse (1531/1533), was echter in het verre Navarra tamelijk onaantastbaar. Niet enkel in brieven, maar ook middels gedichten comuniceert zij haar leven lang met Marot.

      Renée de France (1510-1575); gehuwd met de hertog Hercule d’Este, hertog van Ferrara; beïnvloed door haar tante Marguérite. Groot geworden met een hervormingsgezinde gouvernante: Madame de Soubise, die ook na haar huwelijk met haar hele gezin bij haar blijft. Haar persoonlijke secretaris was Francesco Porto.

In deze kringen beweegt zich de latere hofdichter Clément Marot (ca. 1496-1544). In 1534 vlucht hij, beschuldigd van te uitgesproken reformatorische sympathieën in de nadagen van de Affaire des Placards (plakketen, waarin de "paapse mis een vervloekte afgoderij" wordt genoemd - en dat is dan nog maar een van de voorzichtigste uitdrukkingen. Regelrechte schotschriften dus, bijzonder ondoordacht verspreid in de grote steden van Frankrijk)Als gevolg hiervan keer de koning, François I-er, zich tegen de hervormingstendensen en talrijke prominente Fransen moeten – tijdelijk – Parijs en omgeving verlaten. De pamfletten waren gedrukt bij Pierre de Vingle (z.b.). Marot vlucht via Marguérite in Navarra naar Renée in Ferrara. Hoewel haar man (Hercule d'Este, hertog van Ferrara) Rome-gezind was en zowel keizer als paus graag te vriend hield (of moest houden), steunde zij de hervormingsbeweging; haar kasteel fungeerde als veilige haven voor talloze geloofsvluchtelingen.

Marot - NN - Hermitage (ca. 1540)

Clément Marot, ca. 1540 (Hermitage)

In diezelfde periode is Calvijn ook op de vlucht – ongeveer via dezelfde route - en verblijft in 1536 (27 jaar jong) eveneens kort bij Renée in Ferrara. Het is zelfs mogelijk dat Marot en Calvijn elkaar ontmoet hebben, maar toen was Marot reeds een groot man, en Calvijn nog maar net student-af en op zoek naar werk. Of Calvijn en Renée elkaar daar hebben ontmoet is twijfelachtig - hoewel de latere calvinistische propaganda deze ontmoeting tot bijna mythische proporties opblaast. In hun latere correspondentie wordt in elk geval nooit naar een eerdere ontmoeting verwezen en de idee dat Calvijn in 1536 reeds Renée's geestelijke leidsman werd, behoort tot het rijk der fabelen, waar wishful-thinking en retrojectie regeren. (zie hiervoor nu mijn bijdrage aan het boek over Renée de Ferrara (2021), waar ik de mythe analyseer) Beide adellijke dames steunen en beschermen zo goed en kwaad als dat gaat – ondanks veel protest – allerlei mensen die vanwege hun hervormingsgezinde sympathieën of daden in de problemen zijn gekomen. Nog verbannen schrijft Marot vanuit Venetië (1536) aan Marguerite (l’Epître XLVI, v. 119-120) dat hij vaak terugdenkt aan haar appartementen,

      Où que me fais chanter en divers tons
      Psaumes divins, car ce sont tes chansons. -

De psalmen zijn dus eerst liederen van de hervormingsgezinde kringen in Parijs en omgeving. Ook de nadrukkelijke vermelding dat Marot deze naar het Hebreeuws heeft herdicht (zo reeds in 1533) verraadt de invloed van de groep van Meaux en haar humanistisch ideaal van de terugkeer naar de bronnen. Men koppelt aan Marot's berijming al vanouds de naam van François Vatable, de reeds genoemde lector Hebreeuws aan het Collège Royal. Die zou Marot geholpen hebben door het Hebreeuws uit te leggen. Dit is echter onbewezen. De uitdrukking après la vérité Hébraique verwijst vooral naar een welbepaalde Latijnse vertaling van de psalmen van de hand van Hieronymus (Psalterium Hebraicum). De gebruikelijke editie (vaak Vulgata genaamd) was nog sterk afhankelijk van de Septuaginta. Die editie was beschikbaar in Marot's dagen en de nieuwe vertalingen uit het Hebreeuws (in het Latijn) verschenen vanaf de jaren 1520 met de regelmaat van de klok. Over de diepgang van Marot’s religieuze overtuigingen verschillen de wetenschappers overigens nogal van mening. Ik heb daar in 2009 een proefschrift aan gewijd. [conclusie: Marot verwerkt wel degelijk Hebreeuwse inzichten en zelfs originele rabbijnse exegesen (Ibn Ezra, David Kimhi) in zijn vertalingen. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij die gevonden in de uitgebreide Psalmencommentaar van de Straatsburgse reformator en Hebraïst: Martin Bucer]. 

De eerste officiële editie met psalmberijmingen (Trente Pseaulmes, 1541) wordt door Marot opgedragen aan zijn broodheer, koning Frans I, aan wie ook Calvijn de eerste editie van zijn leerboek over de ware christelijke religie: ‘L’Institution de la foy chrétienne’ heeft opgedragen (1536, eerste franse editie 1541). In 1543 verschijnen er nog 20 nieuwe: samen Cinquante Pseaumes , 50 psalmen in het Frans, waaronder overigens 1 gezang: de lofzang van Simeon)  Hieronder een afbeelding van de eerste psalm, met op de linkerpagina het slot van de brief aan de Dames de France aan wie de 20 nieuwe psalmen zijn opgedragen. (editie: Oeuvres de Marot = Paris, Ruelle,  1553).

oeuvres marot - pseaumes 1553

 

Maar eerst moeten we nog even via het Duitse taalgebied passeren. Er werd namelijk altijd al gezongen in de kerk. In kloosters en kerken zong men naast de liturgische zang (gregoriaans) ook talloze hymnen. In ‘hymnaria’ werden ze verzameld en gedrukt vanaf het einde van 15de eeuw. Buiten de liturgie om waren er de ‘Leisen’ (volksliedjes) in omloop, waar men bijv. Maria-liederen op zong of Kerstliedjes (Noels) in de volkstaal. De Boheemse Broedergemeente was de eerste die een gezangboek in de volkstaal publiceerden. Nikolaus Decius vertaalde liturgische muziek in strofisch Duits en voorzag de tekst van een goed zingbare melodie (‘Gloria’: Allein Gott in der Höh sei ehr en ‘Agnus Dei’: O lamm gottes unschuldig). Ook Thomas Münzer (de voorman van de radicale reformatie, de doperse beweging) had al Latijnse hymnen in het Duits vertaald. Het christelijk lied in de volkstaal is dus niet de uitvinding van Martin Luther, zoals vaak wordt beweerd. Neen. Maar anderzijds: Het is wel het genie van Martin Luther (rond Wittenberg) en Martin Bucer (rond Straatsburg, Elzas) geweest om hier systematisch en principieel gebruik van te maken voor de vormgeving van de protestantse eredienst. M.a.w. om ze binnen een weloverwogen liturgisch kader in te zetten.

Eerst verschijnen de gezangen op losse blaadjes. Later worden ze gebundeld en gedrukt. In Wittenberg verschijnt in 1524 het boekje ‘Etlich Christlich Lider’ met acht gezangen, daarom ook wel het Achtliederbuch genoemd. Ook in 1524, maar met meer liederen worden in Erfurt kleine gezangboekjes gedrukt onder de titel: Enchiridion. Nog in 1524 publiceert in Wittenberg Johann Walter (Luthers vriend en cantor) het eerste ‘Chorgesangbuch’ een set van ‘stemboeken’ duidelijk bedoeld voor meer-stemmige koorzang. Luther schrijft een voorwoord voor dit eerste meerstemmige gezangenboek: ‘Geystliche gesangk Buchleyn’, Wittenberg 1524. Het eerste ordentelijk en bewust liturgisch geordende gezangboek voor de hervormde eredienst verschijnt in 1529 bij Joseph Klug. Dit was het ‘kerkboek’ voor Luthers parochie in Wittenberg. De lutherse eredienst met haar katholieke liturgie en rijke muzikale ondertoon, waarin zowel plaats is voor gemeentezang als professionele koorzang, is hiermee op de rails gezet.

Duidelijk hiervan onderscheiden, maar toch in origine er nauw mee verbonden is de reformatie in de Elzas. In Straatsburg staat zij onder gezag van de zeer geleerde Martin Bucer (of Butzer), Dominicaan van opleiding. Ook hij had veel oog voor liturgie en voor het belang van de gemeentezang, maar verkoos een andere koers te varen dan Luther. Zijn eerste gezangboek, dat bijna tegelijk met dat van Luther verschijnt: Teutsch kirchen Ampt (1524) is een compleet kerkboek, met aanwijzingen voor het inrichten van de eredienst, de bediening van de sacramenten en met liederen die gebruikt kunnen worden in de eredienst, waaronder enkele psalmen. Dit liturgiehandboek wordt tot 1537 minstens 12x herdrukt met een steeds groeiend aantal liederen. In 1538 is er zelfs een compleet rijmpsalter beschikbaar: Psalter mit aller Kirchenübung. Dit is echter niet de enige bijdrage aan het Psalter van Bucer. Hij schreef ook een gezaghebbend Latijns commentaar op de Psalmen (1529, herdruk 1532), dat waarschijnlijk door Marot is gebruikt. Hierin wordt de Joodse exegese, die de 'gewone betekenis' van de tekst opzoekt met filologische middelen, voor het Christendom vruchtbaar gemaakt. Nu is zo'n exegese gewoon, toen was dat een absoluut novum.

Bucer had tevens het geluk twee zeer capabele muzikanten in zijn kerk te hebben: Matthias Greiter (c.1494—1550) en Wolfgang Dachstein (c.1487—1553), Greiter was cantor en Dachstein organist. Beiden gingen 1523/1524 met de reformatie mee. Greiters bijdrage aan het gezangboek van 1524 bedroeg zeven gezangen en vier liturgische stukken, waaronder de meloie voor psalm 119: Es sind doch alle selig alle die…, door Calvijn gebruikt voor psalm 36. Dachstein componeerde drie psalmmelodieën. Zijn beroemdste is ongetwijfeld de melodisering van psalm 137: An Wasserflüssen Babylon, dat in het Geneefse psalter bij de lofzang van Zacharias is terechtgekomen en in de Duitse liedboeken vooral bekend is door ‘Ein Lammlein geht und trägt die Schuld’ van Paul Gerhardt en later in de Hervormde kerken weer als melodie opduikt bij de lofzang van Zacharias.

ga verder

 
   

 

This site was last updated Monday, 11 October 2021