Psalterium

 

   
Home
Marot en z'n Psalmen
Beza en z'n Psalmen
Pierre Pidoux
geschiedenis
Vergeten Psalters
Contrafacten
Psalmen Sweelinck
Muziek...
Ereschuld ?
Hypo-mixolydisch?
Psalm numbers
Boetepsalmen
Souterliedekens
Calvijn en de ps..
Lucas D'heere
Petrus Datheen
psalm - analyses
Partituren
Tant que vivray

De melodieën van het Geneefse Psalter van 1562

In etappes is het Geneefse Psalter tot stand gekomen: 1539, 1542, 1543, 1551 (1554). En dan 1562. Twee tekstdichters: Clément Marot, Théodore de Bèze.; drie cantores: Guillaume Franc, Louis Bourgeois en 'Maistre Pierre' - volgens velen Pierre Davantès. Voor de laatste reeks berijmingen is niet altijd een nieuwe melodie gemaakt. Ze zijn bewust al door De Bèze gemaakt ‘in de mal’ van een reeds bestaande psalmgedicht: bijv. Psalm 68 krijgt de melodie van Psalm 36. In totaal zijn er 125 melodieën voor 150 psalmen. Guillaume Franc, inmiddels cantor in Lausanne, vond dit maar niks en componeerde op zijn oude dag voor het psalmboek van Lausanne ook nog eens een eigen melodie voor al die teksten die het met een geleende melodie moesten doen (ed. 1565).  Pierre Pidoux (zie de link links) geeft verdere détails (in het Engels).

De zettingen van het Geneefse Psalter

Lang voor de voltooiing in 1562 is het Geneefse Psalter met als kern de 50 Psalmen van Marot aan een culturele triomtocht begonnen. Als we afzien van een polyfone zetting van Psalm 137 uit 1540 van een zekere ‘Abel’ (of is het een schuilnaam?) die in Lyon verscheen in een bundel van Jacques Moderne, Le Parangon des chansons(en van soortgelijke zettingen van Appenzeller, Gentian en Manchicourt) dan zijn het – voorzover bekend – Pierre Certon en Antoine Mornable die de eerste polyfone zettingen van de Psalmen het licht hebben doen zien in 1546. Niet dat dat protestanten waren, neen: het was gewoon Frans cultuurgoed. Minder geweten, maar bijzonder fraai zijn ook de zettingen van de Clément Janequin (1549 en 1559). NIet dat deze wereldse componist zich bekeerd heeft, neen: hij kende de markt... Daarna heeft zowat iedere zichzelf respecterende 16de eeuwse componist, die maar iets met Frankrijk had, zich aan dit genre gewaagd.

De persoon die beide op kerkelijk als cultureel terrein baanbrekend werk heeft verricht is de reeds genoemde Louis Bourgeois. Als cantor in Genève componeerde hij niet alleen een groot aantal van de melodieën, maar publiceerde hij ook – bijna gelijktijdig met zijn aanstelling aldaar (1547) polyfone bewerkingen van de Psalmen, in verschillende moeilijkheidsgraden, maar altijd gebaseerd op de cantus firmus van de Geneefse melodie. Nadrukkelijk verdedigt hij zich in zijn voorwoord tegen de blijkbaar opgeld doende visie dat deze muziekstijl niet zou passen bij de heilige teksten. Wel stelt hi jduidelijk dat het niet de bedoeling is deze zettingen ook te gebruiken in de eredienst. Daar is eenstemmigheid de norm en gezamenlijkheid de regel. Ze waren van meet af aan bedoeld om te zingen ‘ès maisons’, thuis, over de tafel, met ieder een stemboekje voor zich (precies zo als bij de chansons). Deze composities werden trendsettend voor een hele generatie componisten, werelds of kerkelijk, katholiek of protestant door elkaar, waarvan J.Pzn. Sweelinck gevoeglijk de laatste genoemd kan worden.

Het bekendst werden de bewerkingen van Claude Goudimel, die maar liefst drie verschillende complete reeksen heeft gecomponeerd, gaande van gewone noot-tegen-noot zettingen, via polyfone zettingen tot complete motetten [selectie] [Zozeer is zijn naam met de psalmen verbonden, dat hij ook vaak abusievelijk voor de melodiecomponist wordt/werd gehouden]. De berijmde psalmen bleven omstreden en werden gaandeweg (waren het dus niet in oorsprong) de partijliederen van de hervormden. Toen de barsten breuken waren geworden, en godsdienstoorlogen in volle hevigheid woedden, waren enkel musici en componisten nog in staat om een soort oecumene te vormen rond de teksten van Marot en de Bèze en de melodieën van Guillaume Franc, Louis Bourgeois, en Maistre Pierre (Davantès). De naam die we hier nog moeten noemen is die van Claude Lejeune, die erin slaagde om in het Roomse Frankrijk te blijven en onder de machtige beschermende hand van Henry IV, een volledige editie van het Geneefse Psalter te produceren, die in 1601 postuum verscheen in La Rochelle.